Prijs de dag voordat het avond is

Pinksteren: we zullen opnieuw horen en vieren, hoe in alle talen werd verstaan, wat de leerlingen, de vrouwen en Maria verkondigden, die de Heilige Geest hadden ontvangen.

Van de dichter en predikant Jaap Zijlstra (1933-2015) zijn twee Pinksterliederen in het Liedboek opgenomen. We staan stil bij het meest sprekende lied 690: Taal op de tong. In het eerste couplet speelt Jaap Zijlstra met spreekwoorden:

Taal op de tong,
een loflied op de lippen,
prijs ik de dag,
voordat het avond is.

Taal op de tong? Wij hebben het hart op de tong (of niet). Een mooie nieuwe uitdrukking van Jaap Zijlstra voor het spreken en verstaan, voor de nieuwe taal van Pinkstermorgen. In het Grieks is het woord voor ‘taal’ en ‘tong’ hetzelfde woord: glossa. In het zo korte eerste couplet draait Jaap Zijlstra vervolgens nog een ander spreekwoord om: het bekende spreekwoord ‘Prijs de dag niet voordat het avond is’.
Juich niet te vroeg, je moet wachten om te kunnen beoordelen of iets daadwerkelijk een succes is of niet. Herman van Veen heeft van dit voorzichtige/pessimistische spreekwoord nog een grappig liedje gemaakt, met dezelfde titel. Jaap Zijlstra draait dit om: Ik prijs de dag voordat het avond is. Dat is de houding en de kracht van gelovige mensen: wij prijzen de dag, omdat deze ons gegeven is. We prijzen de dag, zonder dat we weten of die dag een ‘succes’ wordt of niet. Want God is bij ons, en gaat met ons mee, door onze succesvolle dagen, en door onze dagen van mislukken. Daarom prijzen wij de dag, hoe die ook zal gaan, voordat het avond is.

In dit pinksterlied ‘Taal op de tong’ is tegelijk Pasen zichtbaar aanwezig (‘verrijzenis’, ‘een licht dat de duisternis te boven gaat’, ‘een nieuwe dag begint’). Jaap Zijlstra heeft zelf gezegd over dit lied: ‘Het gaat op Pinksteren om Pasen.’ Op Pinksteren werd het bericht van de opgestane Jezus verstaan, het raakte harten en zette mensen in beweging. De uitdrukking ‘nacht en nevel’ in het derde couplet is opvallend. De Nazi’s gebruikten deze verhullende term voor het elimineren van verzetslieden. Zij werden in stilte weggevoerd naar enkele concentratiekampen. Daar mochten zij geen enkel contact met de buitenwereld hebben; ze moesten in stilte, in nacht en nevel (‘Nacht und Nebel’) van de aardbodem verdwijnen. De opgaande zon verdrijft hier de nacht en de nevel, het licht van Christus overwint dus zelfs het diepste duister.
In het laatste couplet brengt Jaap Zijlstra het Pinksterwonder in zichzelf en in onszelf:

Ik loof het vuur
dat neerdaalt uit de hoogte
en ook in mij
een nieuwe dag begint.

Het vuur van Pinksteren maakt duidelijk dat ook ik mag delen in de opstanding van Christus. Het gebeurt in mij, het kan niet zonder mij, het beweegt in mij: het nieuwe leven in Christus, tegen alle negativiteit en donkerte in.

Laten we de komende weken dit prachtige lied zingen, in dankbare herinnering aan Jaap Zijlstra. Jaap Zijlstra was homoseksueel, hij heeft in zijn jeugd en jonge volwassenheid zeer geleden in het moeten zwijgen en ontkennen. Op latere leeftijd studeerde hij theologie en werd hij predikant. In 1983 kwam hij tijdens een overvolle kerkdienst in Ermelo op Pinksteren(!) in een preek over Hooglied uit de kast. Daarop ontmoette hij waardering en erkenning. Veel mensen die het moeilijk hadden met lhbt-thema’s werden naar hem verwezen. Kort na zijn coming out werd hij benoemd als evangelisatiepredikant in Amsterdam met als nadrukkelijke opdracht: pastoraat onder lhbt-ers. In die jaren, waarin de aids-epidemie veel slachtoffers maakte, was hij hard nodig. Het duurde destijds nog wel enkele jaren voordat uitgeverij Kok Kampen daarna zijn dichtbundels als christelijke homodichter durfde uit te geven. Gelukkig doet Kok Kampen dat nu wél (lhbt+-titels) en met overtuiging.

Zijn leven lang heeft Jaap Zijlstra ervoor gekozen om zonder partner en zonder intimiteit door het leven te gaan, om ‘aanvaardbaar’ te zijn. Op zijn omgeving maakte hij de indruk ‘eenzaam, maar niet ongelukkig’ te zijn. Mij treft zijn levenskeuze zeer, samen met het feit dat de kerkelijke omgeving zo lang, en nog, niet vrij en veilig is om te kunnen leven met wie je liefhebt. Laten we zijn pinksterlied zingen, in dankbare gedachtenis voor wat hij in taal en meeleven gegeven heeft, en met hem de dag prijzen voordat het avond is.

ds Ilse Hogeweg

Wereldgeschiedenis en bloeiende jasmijn

Ieder jaar in mei raken de verhalen over de verwoesting van Rotterdam door het bombardement en de brand die daarop volgde me weer. Sommigen in onze gemeente hebben het als kind meegemaakt. Anderen hebben er zelf geen herinneringen aan, maar zijn elders opgegroeid omdat hun ouders moesten vluchten. Hun verhalen maken mij ervan bewust hoe ontwrichtend deze gebeurtenis en de jaren daarna zijn geweest. En hoe dat een leven lang kan doorwerken.
In zijn online toespraak voor de Tweede Kamer noemde president Zelensky van Oekraïne het bombardement op Rotterdam. In Oekraïne maken mensen nu mee wat hier deel van de geschiedenis van onze stad is geworden. Het gewone leven is van het ene op het andere moment veranderd in een levensbedreigende situatie, waarvan je niet weet hoe lang die zal duren.

Ondertussen gaat ons leven gewoon door. Maar we kunnen niet om het grote leed heen dat via de media op ons afkomt. Dit is dichtbij. We zijn erbij betrokken als Europees land. Voor Oekraïense vluchtelingen zijn wij de ‘eigen regio’. Hoe vind je een balans tussen al dat leed, je gevoel van machteloosheid en de dagelijkse dingen? En hoe spreekt het geloof daarin mee? Wat verwacht je van jezelf? Wat verwacht je van God?
De afgelopen weken werd ik opnieuw getroffen door de gedachten die Etty Hillesum heeft over onvoorstelbaar groot leed en je eigen kleine ­leven. Ik zocht teksten van haar uit voor de Stille Weekwandeling. Etty is een jonge vrouw wanneer de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Zesentwintig is ze, Joods, en ze woont in Amsterdam. Daar worstelt ze met zichzelf én met de vele beelden van menselijk lijden die op haar afkomen. Dat lijden komt vanwege haar Joodse afkomst steeds dichterbij. Troosteloos noemt ze de situatie. Onbarmhartig. “Mijn God, dit tijdperk is te hard voor broze mensen als ik ben”, schrijft ze in haar dagboek. Terwijl ze aan haar bureau zit kijkt ze echter uit op de jasmijn achter het huis. Ze ­oefent zich om te blijven genieten van de kleine dingen. Niet als vlucht uit de werkelijkheid, maar om het daarin uit te houden. “Dit is geen leven meer”, noteert ze: “angst, verbittering, haat, wanhoop. Leven wij niet iedere dag een heel leven? Ik ben bij de hongerenden, bij de mishandelden, iedere dag, maar ik ben ook bij de jasmijn en bij dat stuk hemel achter mijn venster”.
We hoeven, leer ik van Etty, onze solidariteit met wie lijden niet uit te spelen tegen dagelijkse momenten van vreugde. Juist omdat zij beseft hoe bedreigd het leven is richt ze haar aandacht op dat wat in het grote wereldleed nog geluk brengt. “Maar nu ben ik alweer alleen nog maar mezelf” constateert ze als de oorlog iets meer dan een jaar gaande is, “Etty Hillesum, een vlijtige studente in een vriendelijke kamer met boeken en een vaas margrieten. Ik loop weer in m’n eigen smalle bedding en het contact met ‘Mensheid’, ‘Wereldgeschiedenis’ en ‘Lijden’ is weer afgebroken. Dat moet ook, anders zou een mens helemaal gek worden”. Voor haar heeft dat alles met geloof te maken. Meerdere teksten in haar dagboek lezen als een gebed. Ze ziet God als degene die in ons woont met zijn Liefde en Barmhartigheid, en die als het ware steeds weer opnieuw opgegraven moet worden. Het is aan ons om Hem te helpen en die Liefde en Barmhartigheid in onszelf te bewaren, ja zelfs tot het laatst toe te verdedigen. De jasmijn is daarvan een symbool:

“De jasmijn achter mijn huis is nu helemaal verwoest door de regens en stormen van de laatste dagen, haar witte bloesems drijven verstrooid in de modderige zwarte plassen op het lage dak van de garage. Maar ergens in mij bloeit die jasmijn ongestoord verder, net zo uitbundig en teder, als ze altijd gebloeid heeft. En ze verspreidt haar geuren rond de woning, waar jij huist, mijn God. Je ziet, ik zorg goed voor je”.

In 1943 wordt Etty Hillesum gescheiden van haar jasmijn. Ze gaat in 1942 vrijwillig naar Westerbork als medewerkster van de Joodse Raad, om mensen bij te staan. In 1943 wordt ze afgevoerd naar Auschwitz. Ook voor haar ligt in Amsterdam een struikelsteen in het trottoir, ze keert niet terug. De wereldgeschiedenis heeft haar overweldigd. Maar uit de brieven die ze vanuit Westerbork geschreven heeft weten we dat de jasmijn in haar is blijven bloeien, dat haar concentratie op wat op dat moment van waarde was haar heeft geholpen om innerlijk niet te bezwijken. Zo heeft zij God steeds weer in zichzelf opgegraven.

De citaten zijn uit: “Het verstoorde leven”. Dagboekaantekeningen van Etty Hillesum 1941-1943.

ds Marianne Bogaard

U zij de glorie

Geen Pasen zonder het lied ‘U zij de glorie’. Wat is dit een enorm geliefd lied. We hopen het komende Pasen met elkaar te kunnen zingen. Hopelijk eindelijk een kerkelijk feest, dat we weer met elkaar en in de kerk zingend mogen vieren. Het is een lied dat we delen in verschillende kerkliedtradities. Het heeft een bijzondere ontstaansgeschiedenis en het lied heeft van alles meegemaakt.
Georg Friedrich Händel schreef de melodie van dit lied. In zijn Londense jaren schreef hij het oratorium Judas Maccabeus in 1746 als eerbetoon aan de hertog William August van Cumberland, die terugkeerde nadat hij in Schotland de laatste aanval van de jacobieten (politieke aanhangers van het Britse koningshuis van de Stuarts) had verslagen. De hertog van Cumberland was daarbij nietsontziend; gewonden op het slagveld en vluchtelingen, ook plaatselijke bewoners die niets met de strijd te maken hadden, werden allen achtervolgd en gedood. Het leverde de hertog de bijnaam ‘de slager van Cumberland’ op. In Londen werd de hertog van Cumberland als held ontvangen.
Het oratorium Judas Maccabeus is gebaseerd op het deuterocanonieke boek I Makkabeeën, dat verhaalt over de (historische) opstand van een Joodse priesterfamilie in Israël 167 v. Chr. In het laatste deel van dit oratorium klinkt het lied ‘See the conquering hero comes’ (met de ons zo bekende melodie). In dit lied wordt de heldhaftige Judas Maccabeus bezongen – maar iedereen dacht óók aan de zegevierende held de hertog van Cumberland.

De melodie van ‘See the conquering hero comes’ werd immens populair en snel bekend. Ludwig von Beethoven componeerde 12 wonderschone variaties voor piano en cello over deze muziek. In Duitsland werd een adventslied verwoord op deze melodie: ‘Tochter Zion, freue dich’. Zo gebeurde het, dat ik ooit de trouwdienst mocht verzorgen van een Nederlands-Duits bruidspaar. De Nederlandse bruidegom wilde wel heel graag ‘U zij de glorie’ gezongen hebben in de trouwdienst. Dat stuitte bij zijn Duitse schoonfamilie op grote verwondering: waarom een adventslied in de trouwdienst? Het is wonderlijk, hoe dit lied in Duitse kerken de toon van Advent aangeeft, en in Nederlandse kerken Pasen.

De Zwitserse dichter E.L. Budry schreef de Paastekst voor dit lied – A toi la gloire. Alle eer en glorie worden hier in aan de verrezen Christus gebracht. De Opgestane is de held, die de dood heeft overwonnen. In Nederland vertaalde J.W. Schulte Nordholt ‘A toi la gloire’ tot ‘U zij de glorie’, met de voor velen vertrouwde woorden: ‘Uit een blinkend stromen daalde d’engel af/heeft de steen genomen van ‘t verwonnen graf.’ In ons huidige Liedboek is een nieuwe vertaling van het lied opgenomen van Henk Jongerius, pater dominicaan te Huissen. Verouderd taalgebruik en de triomfalistische toon veranderde hij in zinnen die als gebed zijn verwoord: ‘moge nieuwe vrede dalen waar geen hoop meer is’. Stelligheid verandert Jongerius in gebed; hij maakt het lied daarmee opnieuw toegankelijk.
De Franse tekst ‘A toi la gloire’ is meermalen gezongen bij uitvaarten en trouwdiensten van het koninklijk huis. Ook in deze kringen wordt het lied blijkbaar zeer gewaardeerd. Het Engels­talige origineel ‘See the conquering hero comes’ is buiten de kerk een eigen leven gaan leiden. In de negentiende eeuw werd het als ‘openingstune’ gespeeld door brassbands in Engeland bij de openingen van de vele nieuwe spoorwegen en treinstations. En het lied klinkt jaarlijks in de traditionele afsluiting van het muziekspektakel Last Night of the Proms, in de Royal Albert Hall, in een medley van traditionele Britse liederen, de laatste melodie voordat deze medley eindigt met het Britse volkslied.

Het feit dat G.F. Händel zijn oratorium baseerde op het boek Makkabeeën en de Joodse geschiedenis, zorgde er voor dat de nazi’s deze muziek wilden ‘ariseren’. Een nieuwe tekst moest geschreven worden zonder enige verwijzing naar de Joodse geschiedenis en oorsprong. Wonderlijk genoeg heeft de melodie in dezelfde tijd ingang gevonden in de Joodse traditie. Er is een lied geschreven voor het winterse lichtfeest Chanoeka ‘Hava Narima’.

Al met al heeft dit lied een duizelingwekkende reis gemaakt, voordat we er met Pasen weer mee in mogen stemmen. Het lied omvat Advent én Pasen, het lied klinkt en is geliefd in zo vele families, ook de koninklijke. We weigeren om in te stemmen met het verheerlijken van militaire leiders zonder genade, die mensen de dood aan doen. We bidden mee met de tekst van Jongerius: laat nieuwe vrede dalen, waar geen hoop meer is. U zij alle eer!

ds Ilse Hogeweg

 

Resurrection van Ivanka Demchuk

De liefde van Christus beweegt de wereld

In de zomer van 2022 vindt de elfde assemblee van de Wereldraad van Kerken plaats. Christenen uit ongeveer 350 kerken en meer dan 110 landen komen bij elkaar om hun hoop voor onze wereld te delen en uit te dragen. Dat gebeurt al meer dan 70 jaar, een assemblee wordt eenmaal in de zeven jaar gehouden. De eerste was in 1948 in Amsterdam, de laatste in 2013 in Zuid-Korea.

Door de wereldwijde pandemie kan daar nu pas een vervolg aan worden gegeven. De ervaringen van de afgelopen jaren zullen ongetwijfeld invloed hebben op de gesprekken en vieringen. In de bezinningstekst ter voorbereiding op de bijeenkomst schrijft de Wereldraad: “Het ­virus heeft zowel de kwetsbaarheid van de hele mensheid als ook de diepgaande ongelijkheid en verdeeldheid tussen mensen blootgelegd en onderstreept. De wereld is zich meer bewust geworden van de lelijke werkelijkheid van privileges en onderdrukking, van economische, sociale en etnische onrechtvaardigheden.”

In die context zal men spreken over de liefde van Christus. “De Liefde van Christus beweegt de wereld tot verzoening en eenheid”, is het thema. Een spannend, meer dan actueel thema. Zeker als je bedenkt dat de leefsituatie van de mensen die samenkomen zeer verschillend is. Er zijn deelnemers uit ‘rijke’ landen waar religie geen grote rol meer speelt in het openbare leven. En er zijn deelnemers uit ‘arme’ landen waar geloof voor de meerderheid van de bevolking deel uitmaakt van het dagelijks leven. De vraag die wordt aangereikt bij het thema zal dan ook door ieder anders gehoord worden: “Hoe zal een kerk, waarin de liefde van Christus geacht wordt werkzaam te zijn, in dit tijdsgewricht zich organiseren, spreken en handelen?”

Ik word altijd wel warm van ontmoetingen tussen christenen uit alle werelddelen. Niet voor niets studeerde ik ooit af in de oecumenica. Een medegelovige van elders kan je eigen geloofsbeleving enorm verrijken. Niet alleen omdat het bijzonder is om te zien hoe anders we zijn en tóch verbonden met elkaar, maar ook omdat in andere delen van onze wereld de urgentie van het geloof groter lijkt. Waar oorlog, armoede of onderdrukking de overhand hebben is de belijdenis dat de liefde van Christus de wereld beweegt enorm krachtig. Waar mensen lijden onder de ongelijke verdeling van rijkdom zijn woorden als eenheid en verzoening niet goedkoop. De liefde van Christus … die wil ons niet alleen bewegen in de redelijk bevoorrechte omstandigheden waarin wij zelf leven, maar die wil juist ook werkzaam zijn waar mensen minder geluk kennen, zich onbemind, miskend en ongezien voelen.

Tegelijkertijd hebben wij in onze eigen omgeving ons deel bij te dragen aan de verzoening en eenheid die van Christus uitgaan. In de ­visie van de Wereldraad van Kerken begint dat in de oecumene: in het zoeken naar eenheid tussen christenen met verschillende achtergronden. Ook plaatselijk. Uitgangspunt is daarbij de tekst uit het Johannesevangelie “… opdat zij allen één zijn”. Hoe wij als gelovigen in relatie staan tot elkaar staat niet los van onze plek in de samenleving. “Het is treurig”, schrijft de Wereldraad, “dat onze huidige verdeeldheid, ons gebrek aan liefde voor elkaar, en onze eigen nood aan verzoening, ons in de kerk soms tot een armoedig teken en een slechte dienaar maken van Christus, die ons oproept om één te zijn. Dit is de uitdaging voor de kerk, en ook de belofte en hoop”.

Dat is nogal een uitdaging. Een wereldwijde opdracht die dicht bij huis begint. Door het gesprek met elkaar aan te gaan vanuit onze eigen identiteit. In Kralingen gebeurt dat al heel lang in de ontmoeting met de migrantenkerken. Er is het contact met de andere kerken in de buurt, al lag dat in coronatijd zo goed als stil. En er is een andere wijkgemeente binnen onze eigen kerk. Lang niet altijd herkennen we ons in de beleving van de ander. Soms moet je ook constateren dat er zeer principiële verschillen zijn. Steeds weer is het zoeken hoe ondanks die verschillen toch iets kan doorschemeren van de eenheid waar we om bidden voor onze wereld, zonder concessies te doen aan wat voor ons ‘heilig’ is. “Een oecumene van het hart”, noemt de Wereldraad dat. Die stopt trouwens niet bij onze eigen geloofstraditie, maar “beweegt ons ook tot een diepere relatie met alle gelovige mensen en alle mensen van goede wil”. En laat ons dus steeds weer over grenzen heen kijken.

ds Marianne Bogaard

De elfde assemblee van de Wereldraad van kerk zal plaatsvinden in Karlsruhe in Duitsland en moet duren van 31 augustus tot 8 september 2022.

Troost

In 2017 was Michael Ignatieff  * gevraagd om in Utrecht een lezing te geven over rechtvaardigheid en politiek in het Bijbelboek Psalmen, in een bijzondere concertreeks van alle 150 psalmen (getoonzet door verschillende componisten) door het Nederlands Kamerkoor. Toen hij daarna naar de muziek van de psalmen luisterde, onderging hij een intense ervaring. ‘De muziek was prachtig, de woorden raakten me diep en de ervaring had een louterend effect, dat ik tot op de dag van vandaag probeer te verklaren. Ik was gekomen om een lezing te geven, maar wat ik vond was troost: in de woorden, de muziek en de tranen van herkenning van de toehoorders.’ Michael Ignatieff ging op zoek naar het antwoord op de vraag: wat is troost? Wat betekent troost voor hem, zoon van een Russische gelovige vader, die zelf het geloof had losgelaten, wat raakte hem én andere toehoorders van de psalmen zo diep? Ignatieff schreef een reeks van portretten van vele grote mannen en twee vrouwen door de eeuwen heen, die zich staande moesten houden in het leed van hun tijd en van hun leven. Zij hebben ons hun dagboeken, hun woorden, hun kunst en filosofie nagelaten, die ook ons moed kunnen geven in moeilijke tijden. Hij schrijft over de moed en de troost van onder andere Paulus, van Cicero, keizer Marcus Aurelius, Dante, Karl Marx, Abraham Lincoln, Gustav Mahler, Anna Achmatova, Albert Camus en als laatste Cicely Saunders, die het eerste hospice begon. Van al deze mensen geeft Ignatieff een portret, hij beschrijft hun leven en wat zij te verduren kregen. Om vele redenen is onze tijd door corona een moeilijke tijd; als je leest wat de zorgen van al deze mensen waren in tijden van oorlog en geweld en zonder gezondheidszorg, dan relativeert dat de zorgen van onze tijd.

Ignatieff beschrijft Anna Achmatova, de Russische dichter, van wie haar zoon Lev tijdens de Grote Zuivering in 1938 in Leningrad in de gevangenis zat. Elke dag, jarenlang, stonden voor deze gevangenissen rijen vrouwen te wachten op een bericht van hun man, hun zoon, hun broer, die misschien allang gedeporteerd of geëxecuteerd was. Anna Achmatova stond 17 maanden tussen hen – haar zoon kwam thuis, haar man niet. Eén vraag van een mede-wachtende – ‘Zou iemand dit ooit kunnen beschrijven?’ – zette Anna Achmatova er toe aan om de gedichtenreeks Requiem te schrijven, over al het leed dat miljoenen mannen en vrouwen is aangedaan tijdens de Grote Zuivering. Zoon Lev kwam terug, maar de man van Anna overleefde de gevangenschap niet. Haar persoonlijke leed maakte zij universeel in haar poëzie – pas lang na haar overlijden, in 1987, kon Requiem gepubliceerd worden in de Sovjet Unie. Anna Achmatova gaf het lijden van haar volk een stem, zij heeft nooit haar blik afgewend van wat er gebeurde, en zij heeft haar plicht als getuige gedaan. Ook dat is troost.

Het boek van Michael Ignatieff kan ons op het spoor zetten van belangrijke vragen. Wat is troost voor ons? Troost kan allerlei vormen aannemen: een arm om je heen, een kop thee, een belangstellende vraag, de schoonheid van de natuur, de schoonheid van kunst. Wat is troost voor ons in geloof? Hoe zouden wij dat voor onszelf verwoorden? Ignatieff vindt troost in de psalmen als ongelovige. Hoe lezen we als gelovige zijn woorden? Goed om daar over in gesprek te gaan! Michael Ignatieff reikt ons veel aan om onze gedachten – en ons geloof – aan te scherpen.

ds Ilse Hogeweg

 

* Michael Ignatieff is voormalig Canadees politicus en hoogleraar geschiedenis, nu aan de Central European University, opgericht door de filantroop George Soros, verbannen uit Hongarije, nu gevestigd in Wenen.
 

Zegenrijk

Wat wens je elkaar toe, net over de drempel van 2022? Een voorspoedig nieuwjaar klinkt minder vanzelfsprekend dan voorheen. De pandemie hangt voorlopig nog als een schaduw over ons heen, om rekening mee te houden. Met alle gevolgen die dat heeft. Voor onze bewegingsvrijheid, voor ons welzijn, voor vele sectoren in onze maatschappij. Voorspoed lijkt in dat opzicht bijna onrealistisch. Wat bedoelen we eigenlijk, als we dat elkaar toewensen?

‘Gunstige gang van zaken, succes’, zegt het woordenboek in mijn boekenkast. Maar als ik verder kijk op internet, kom ik ook het synoniem ‘zegenrijk’ tegen. Dat trekt mijn aandacht, want zegen heeft voor mij een andere gevoelswaarde. Toch zijn er teksten in het Oude Testament, waaruit blijkt dat zegen met voorspoed te maken heeft. Wanneer iemand ‘gezegend’ is, is er voorspoed, vitaliteit. “De Eeuwige zal u ruim bedelen met kinderen en ook uw vee en uw akkers overvloedig zegenen”, hoort het volk wanneer Mozes de zegeningen verwoordt, die samengaan met gehoorzaamheid aan God.

Zegen is in de Bijbel een heilzame kracht. Een kracht ten goede. “Eulogia”, in het Grieks, “benedictio” in het Latijn. Iets goeds dat de ander wordt toegezegd, een gunst die wordt verleend. En soms heeft dat dus bijna een magische betekenis, alsof alleen het uitspreken ervan al effect heeft. Die zegen is in de verhalen van Israël deel van het dagelijks leven. Vaders geven hem aan hun zonen. Zo zegent Izaäk Jakob met het eerstgeboorterecht. En Koningen als David en Salomo zegenen hun volk, bijvoorbeeld bij de inwijding van de tempel.

Ook priesters spreken de zegen uit. Dat laatste wordt steeds meer praktijk, en zo wordt de zegen deel van de eredienst. Een klassieke tekst is in dat opzicht Numeri 6, de verzen 22-27: De Eeuwige zei tegen Mozes: Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen: “Moge de Eeuwige u zegenen en u beschermen, moge de Eeuwige het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, moge de Eeuwige u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.” Wanneer zij mijn naam over het volk uitspreken, zal Ik de Israëlieten zegenen.’ De priesterfamilie van Aäron wordt hier aangewezen om de zegen te geven. Maar ook de priesters blijven uiteindelijk de ontvangende partij. Zij zegenen altijd namens God, Hij is de bron van alle zegen.

Daarmee wordt het zegenen in een lange traditie geplaatst die Bijbels gezien al begint bij de Schepping. “Hij zegende hen” staat er tweemaal in Genesis 1. God geeft als schepper de dieren en de mensen zijn zegen mee. Deze zegen geeft ruimte om te leven, levensadem. En het is die zegen die de voorgangers van de gemeenschap doorgeven en meegeven op de grens van het heiligdom en de wereld daaromheen. God ­zegent ons om voluit te kunnen leven, zoals Hij dat bedoeld heeft. En om in dat opzicht ook elkaar tot zegen te zijn.

Dan kan zegen, vanuit een bepaalde invalshoek, het aspect van voorspoed in zich dragen. Maar het één synoniem maken voor het ander is te beperkend. ‘Zegenrijk’ is veelomvattender dan ‘voorspoedig’. Want het goede dat God ons toezegt, heeft ermee te maken dat wij leven in een wereld waarin Zijn levensgeest waait. En met de belofte dat, hoe kwetsbaar en beschadigd zijn schepping ook is, Hij die niet zal loslaten en eens zal voltooien. Zegen betekent niet dat we alles krijgen wat we wensen. Zegen is veel meer dat zijn vrede in ons midden is gekomen, zoals wij dat vierden met Kerst.

Mag je elkáár dat toespreken? Natuurlijk! Wij wensen elkaar zegen toe in het besef dat het uiteindelijk de Eeuwige is, die aan de oorsprong staat van ons bestaan. Die vreugde geeft. Die een nieuw begin schept, waar wij alleen onmogelijkheden zien. Die met Zijn Licht schijnt in iedere duisternis, ook die van de langste nacht. Dus ik zou zeggen: een zegenrijk 2022. Of om aan te sluiten bij een oude traditionele nieuwjaarswens:

HEIL EN ZEGEN!

ds Marianne Bogaard