Jaren geleden was ik met mijn ouders en twee oudste tienerdochters in Auschwitz. Een groot deel van de familie van mijn moeder is daar in de tweede wereldoorlog om het leven gebracht.
Het was heel confronterend voor mijn moeder, het was voor haar de eerste keer dat ze hier was, ze wist pas sinds een paar jaar dat een deel van de familie hier omgekomen was, er werd niet over gepraat en men ging ervan uit dat de familie in Sobiborn vermoord was.
In het Nederlandse paviljoen kwamen we op de lijsten met slachtoffers ook de naam Clara Frank tegen, de oma waar mijn moeder naar vernoemd is. U begrijpt dat dit tranen losmaakte en stemmen deed verstillen.
Na het werkkamp zijn we ook gaan kijken in het vernietigingskamp een paar kilometer verderop.

Bij de plek van de verbrandingsovens heeft oma een paar steentjes gepakt om op het graf van haar ouders te leggen. Het is een Joodse gewoonte om een steentje te leggen op het graf van een geliefde. En door een steentje uit Birkenau op het graf te leggen van haar vader en moeder, die al jaren geleden overleden zijn, wilde ze de familie toch weer ‘verenigen’.

Op de terugweg van de verbrandingsovens staat mijn middelste dochter stil en vraagt aan oma: “Ik had er dus eigenlijk niet mogen zijn?” Een vraag die voortkwam uit de realisatie dat de hele familie vermoord was, behalve de ouders van haar oma, en dat er dus mensen waren die geprobeerd hadden om haar familie uit te moorden.
Nadat oma geslikt en tijd genomen had om na te denken kwam ze met dit antwoord: “Inderdaad zijn er een paar mensen die heel hard schreeuwen dat we er niet mogen zijn, maar er zijn veel meer mensen die fluisteren dat ze heel blij zijn dat je er bent. En het is aan ons om te luisteren naar het gefluister en niet naar het geweld. God is in de zachte bries en niet in het geweld”.

Met trots, verdriet, verslagenheid en luisterend naar de zachte stem van oma liepen we terug, onszelf belovend te blijven fluisteren ‘ Je mag er zijn!’.

Setkin Sies