Ik heb het altijd een ontroerende én intrigerende zin gevonden, de openingszin van het ‘In paradisum’. Dit is wat je iedereen toewenst wiens leven op aarde ophoudt. Het drukt het verlangen uit dat overleden geliefden verder gedragen worden waar wij hen moeten loslaten.

In de Katholieke traditie wordt het ‘In paradisum’ tijdens de requiemmis gezongen bij het uitdragen van de kist. Meerdere componisten hebben het op muziek gezet als onderdeel van het Requiem, waaronder Gabriël Fauré. Tegenwoordig staat het als lied 959 ook in ons Protestantse liedboek, zowel in de Latijnse als in de Nederlandse versie. ‘Klassieke antifoon uit de uitvaartliturgie’ staat erbij.

Naast ontroering kan de tekst echter tegelijkertijd iets anders oproepen. Vervreemding. Want wat worden hier grote woorden gebruikt. Prachtige taal is het. Maar kunnen wij deze taal nog voor onze rekening nemen? Het ‘In paradisum’ is zo concreet dat je er ook voor terug kunt deinzen. Zien we het eigenlijk wel voor ons anno 2021, het paradijs, de engelen, de hemelse stad Jeruzalem? Zijn we niet terughoudender geworden in onze verwoording van de eeuwigheid die ons wacht?

Ten paradijze geleiden u de engelen,

dat bij uw aankomst

u de martelaren mogen begroeten,

zij geleiden u

tot in de hemelse stad Jeruzalem.

Moge ’t koor der engelen

u met vreugde ontvangen.

En als Lazarus, de arme van weleer,

zult gij voor eeuwig

in het land van vrede zijn.

Het helpt mij om te ontdekken waar al deze beelden vandaan komen. Verschillende Bijbelse motieven worden hier met elkaar verweven. Psalm 91 spreekt mee, waarin de Eeuwige zijn hofhouding opdraagt te zorgen voor wie op God vertrouwt: Zijn engelen geeft Hij opdracht over je te waken waar je ook gaat. Op hun handen zullen zij je dragen. Maar ook degenen waarover in Openbaring 7 wordt gezegd dat zij uit de grote verdrukking komen en rondom de troon staan, zijn herkenbaar. Dat zijn de martelaren over wie wordt gezongen dat zij je begroeten en brengen naar het hemelse Jeruzalem. Dat roept Openbaring 21 op: Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht. Ik hoorde een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Gods woonplaats is onder de mensen, Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn’.

Al die beelden stammen uit een bepaalde context. Uit een psalm die een wereld schetst waarin plagen rondwaren en de pest heerst, maar men zich toevertrouwt aan Gods bescherming. En uit het Bijbelboek Openbaring, waarin men de hoop probeerde vast te houden in dreigende omstandigheden. Juist de concrete taal bemoedigde de gelovigen in een moeilijke tijd. Daar komt nog een laatste beeld bij: dat van de arme Lazarus uit een gelijkenis van Jezus. Daarin wordt de bedelende Lazarus die geen leven heeft na zijn dood weggedragen door de engelen, terwijl de rijke man die hem links liet liggen gekweld wordt. Door die context mee te nemen hoor ik het ‘In paradisum’ anders. Het gaat hier niet zomaar om beelden die het hiernamaals concretiseren. Het gaat hier om Bijbelse beeldvorming die het geloof uitdrukt dat er eens recht zal worden gedaan. Dat wie in het nauw gedreven is omarmd wordt, dat wie verdrukt is vrede zal vinden, dat wie niet gezien is Gods aandacht heeft en zal rusten in eeuwigheid.

Het paradijs dat door deze teksten inhoud krijgt, dat is niet de Hof van Eden die zich ergens laat lokaliseren. Dat is het Rijk waarin Gods gerechtigheid voorgoed regeert. Het Rijk waarin alles tot zijn ware bestemming komt en het kwaad geen zeggenschap meer heeft. Al zijn de beelden ons soms misschien wat te concreet, je zou iedere geliefde toch willen toezingen dat zij, dat hij daarnaartoe gedragen wordt en deel wordt van Gods eeuwige vrede.

ds Marianne Bogaard

 

 

Illustratie: Een engel draagt een mens (deel van een groter schilderij van Marc Chagall).